Antwoorden als/dan

Antwoorden van de oefening als/dan

  1. Hij vergeet tegenwoordig vaker dingen dan vroeger.
  2. Karin wast even vaak af als haar man.
  3. De kinderen wassen minder vaak af dan de ouders.
  4. Deze toets vond ik moeilijker dan die vorige.
  5. Voor verpleegkunde heb ik een hoger cijfer dan voor anatomie.
  6. Nienke heeft andere vrienden dan zij (heeft).
  7. Het glas van Hannah is voller dan dat van Aafke. 
  8. Hebben wij nu langer vakantie dan het jaar hiervoor?
  9. Nee, de vakantie is net zo lang als vorig jaar.
  10. Als je hoger dan een acht haalt op je proefwerk, krijg je een lolly!
  11. Harry loopt net zo hard als jij (loopt).
  12. Wij wandelen vaker door dat bos dan zij (lopen).
  13. Het boek dat Jan gelezen heeft is net zo dik als het boek van mij. (zie uitleg jou/jouw/u/uw/me/mij/mijn)
  14. Mijn vader is even lief als hij (is).
  15. Jan vindt ons even gezellig als (hij) hen (vindt). OF … als zij ons vinden. De zin heeft dan wel een andere betekenis.

Eén gedachte over “Antwoorden als/dan”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s