Een tekst schrijven

Hoe schrijf je een duidelijke en goed leesbare tekst?

Voor je opleiding, maar ook voor het examen Nederlands, moet je regelmatig teksten schrijven. Daarbij kan je denken aan verslagen of teksten waarin je de lezer informatie moet geven over een onderwerp. Zakelijke teksten zoals verslagen, artikelen, beschouwingen of betogen hebben een vaste structuur van titel, inleiding, middenstuk en slot. Elk onderdeel heeft zijn eigen functie.

Titel
Elk verhaal, elk verslag of artikel begint met een titel. De functie van de titel is duidelijk maken waar de tekst over gaat (het onderwerp) en de aandacht trekken. Dat laatste zie je vooral bij krantenberichten of bij berichten op sociale media. Zij zijn erbij gebaat dat zoveel mogelijk mensen een bericht lezen. Als jij een verslag of artikel schrijft voor school, kan je met een simpele titel vaak al prima aangeven wat het onderwerp van je verslag is. Een titel schrijf je met een wat grotere letter en hij krijgt geen punt op het eind. Na de titel volgt een witregel.

INLEIDING
In de inleiding leid je je lezer je verhaal in. Je vertelt de lezer wat hij kan verwachten. De inleiding heeft net als de titel ook als functie om te vertellen wat het onderwerp van je tekst is, maar dat doe je wel iets uitgebreider. Vaak schrijf je ook wat de aanleiding is om je tekst te schrijven. Door de manier waarop je een tekst begint, kan je de aandacht van de lezer trekken. Dat kan je doen door vragen te stellen, door een situatie te beschrijven die met het onderwerp te maken heeft, door een voorbeeld van het probleem te geven of door vast een korte samenvatting te geven. Een inleiding kan uit één of meerdere alinea’s bestaan.
Functies inleiding:
– het introduceren van het onderwerp, de vraagstelling (bij een beschouwing) of de mening van de schrijver (bij een betoog).
– de aandacht van de lezer trekken.

mIDDENSTUK
In het middenstuk werk je je onderwerp uit. Afhankelijk van je onderwerp verdeel je dit in deelonderwerpen. Elk deelonderwerp werk je in een of meerdere alinea’s uit. Tussen elke alinea komt een witregel. Je kan aan alinea’s die een deelonderwerp behandelen een tussentitel geven. Zo is het voor de lezer gelijk duidelijk wat het onderwerp van de alinea of de alinea’s is.

slot
In het slot sluit je de tekst af. Voor de lezer moet het duidelijk worden dat het verhaal is afgelopen. Er zijn verschillende manieren waarop je een tekst kan afsluiten. Je kan de tekst kort samenvatten, je kan een conclusie trekken, of tot een oplossing komen (bij een probleem). Ook kan de schrijver de lezer aansporen om iets te gaan doen, bijvoorbeeld om een product te kopen of te solliciteren of zich aan te melden. Zorg dat je afsluitende zin ook echt een slotzin is.

OPMAAK
Tussen elke alinea komt een witregel. Dit vergroot de leesbaarheid van je verhaal. In een alinea staan alle zinnen achter elkaar. Dus na een punt ga je gelijk door met de volgende zin. Wanneer je tussenkopjes gebruikt, komt er geen witregel na het tussenkopje. Na de titel komt wel een witregel.

NOG ENKELE TIPS

  • Maak je zinnen niet te lang. In lange zinnen verdwaalt de lezer, maar helaas ook vaak de schrijver. Wanneer je merkt dat je zin langer dan 2 regels is, kijk dan of je van die ene zin ook 2 zinnen zou kunnen maken. Door je zin hardop te lezen, hoor je meestal ook wel of de zin nog wel lekker loopt.
  • Realiseer je dat de lezer waarschijnlijk niets weet over wat jij gaat vertellen. Hij weet niet wat de reden is dat je de tekst schrijft en hij weet soms ook niets over de inhoud of over de omstandigheden. Neem de lezer mee in je verhaal. Vraag je regelmatig af of het verhaal voor de lezer even duidelijk is als voor jou.
  • Maak gebruik van voegwoorden en verwijswoorden om van je verhaal een samenhangend geheel te maken.
  • Bedenk goed wat het doel van je tekst is. Wil je informeren, instrueren, overtuigen, je mening geven, aansporen tot actie of amuseren? Een tekst kan ook meerdere doelen hebben. Check regelmatig of je je aan je doel of doelen houdt.
  • Houd rekening met je lezer. Wie is je lezer? Is dat een vakgenoot of een leek? Is het een jongere of een oudere lezer? Houd hiermee rekening in je taalgebruik. Probeer vaktermen en afkortingen zoveel mogelijk te vermijden.
  • Maak zo min mogelijk spelfouten, typefouten en grammaticale fouten. Een enkele fout is niet erg, maar wanneer er veel fouten in de tekst staan, leidt dat af van de inhoud of wordt de inhoud niet duidelijk. Laat zo mogelijk je tekst door een ander lezen of lees zelf je tekst hardop.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s