Antwoorden oefening werkwoordspelling (alle tijden)

Antwoorden oefening werkwoordspelling – alle tijden

Morgen (reizen) reist Jan naar Limburg. Hij (hopen) hoopt dat hij daar een nieuwe baan kan krijgen. Sinds 3 maanden (hebben) heeft hij een nieuwe vriendin. Zo verliefd is hij nog nooit geweest (zijn). 

Vorige week heeft hij op een nieuwe baan in Limburg (solliciteren) gesolliciteerd. Het (verrassen) verraste hem dat hij al binnen een week een uitnodiging (ontvangen) ontving voor een sollicitatiegesprek. Morgen heeft hij het gesprek.  

Gisteren (oefenen) oefende hij met zijn beste vriend voor het sollicitatiegesprek.  Zijn vriend (stellen) stelde hem toen allerlei vragen, die hij moest beantwoorden. Dat (vinden- vt) vond hij best lastig. Hij heeft zijn vriend dus uitgebreid (bedanken) bedankt voor het oefenen, want hij (voelen) voelt zich nu een stuk zelfverzekerder. 

Jan (werken) werkt al drie jaar als verzorgende. Drie jaar geleden heeft hij zijn diploma (halen) gehaald.  Sindsdien (verzorgen) verzorgt hij dagelijks mensen die dementerend zijn. Hij heeft in die drie jaar veel (leren) geleerd. Hoe (begeleiden) begeleid je mensen met dementie? Hoe (zorgen) zorg je dat ze zich niet eenzaam voelen? Een meneer (ontsnappen) ontsnapt regelmatig van de afdeling en (verdwalen) verdwaalt dan in de stad. Het is Jan al vier keer (lukken) gelukt om die meneer weer terug te brengen naar de afdeling. Hij (vinden) vindt het echt een uitdaging om zo’n man te helpen. 

Antwoorden als/dan

Antwoorden van de oefening als/dan

  1. Hij vergeet tegenwoordig vaker dingen dan vroeger.
  2. Karin wast even vaak af als haar man.
  3. De kinderen wassen minder vaak af dan de ouders.
  4. Deze toets vond ik moeilijker dan die vorige.
  5. Voor verpleegkunde heb ik een hoger cijfer dan voor anatomie.
  6. Nienke heeft andere vrienden dan zij (heeft).
  7. Het glas van Hannah is voller dan dat van Aafke. 
  8. Hebben wij nu langer vakantie dan het jaar hiervoor?
  9. Nee, de vakantie is net zo lang als vorig jaar.
  10. Als je hoger dan een acht haalt op je proefwerk, krijg je een lolly!
  11. Harry loopt net zo hard als jij (loopt).
  12. Wij wandelen vaker door dat bos dan zij (lopen).
  13. Het boek dat Jan gelezen heeft is net zo dik als het boek van mij. (zie uitleg jou/jouw/u/uw/me/mij/mijn)
  14. Mijn vader is even lief als hij (is).
  15. Jan vindt ons even gezellig als (hij) hen (vindt). OF … als zij ons vinden. De zin heeft dan wel een andere betekenis.

Antwoorden bij de oefening jou/jouw, u/uw, me/mij/mijn

Antwoorden bij de oefening jou/jouw, u/uw en me/mij/mijn.

  1. Kijk daar ligt mijn boek!
  2. Heb ik dat cadeautje van jou gekregen?
  3. Is dat boek van jou of van jouw vader?
  4. Ik ga me/mij zo maar eens douchen!
  5. Dat is niet van jou!
  6. Hij heeft jou daar  jouw brommer zien stallen!
  7. Ik waarschuw jou niet nog een keer!
  8. U moet niet vergeten uw paraplu mee te nemen!
  9. Is die paraplu van jouw of van zijn vader?
  10. Wil je mijn boek aan me/mij geven?

Bij zin 9 kan je ook zeggen: Is die paraplu van jou of van zijn vader?
Er is dan wel een betekenisverschil. In bovenstaande zin is de vraag of het jouw paraplu is of die van zijn vader. In de zin zoals ik hem in de oefening heb geschreven betekent het dat je je afvraagt of de paraplu van jouw vader of van zijn vader is.

Antwoorden hoofdletters en leestekens

Antwoorden bij de oefening Hoofdletters en leestekens

  1. Pieter vroeg aan zijn Turkse vriend Mehmet: ‘Heb je zin in een pizza?’
  2. De 2 jongens wilden bij de Etos in Zaandam een fles Nivea bodylotion voor hun moeder kopen.
  3. 150 euro kost een paar sneakers van G-Star Raw op Marktplaats
  4. In Noord-Spanje is een museum waar je alle schilderijen van Picasso kan zien.
  5. Weet jij hoe de stad heet waar dat museum staat?
  6. Mevrouw De Bont liep gisteren in de Kalverstraat in Amsterdam samen met haar vriendin Karin uit Volendam.
  7. Om soep te maken heb ik 5 ingrediënten nodig: pompoen, wortels, een ui, kokosmelk en een rode peper,

Antwoorden werkwoordspelling

Antwoorden werkwoordspelling

Hieronder zie je de antwoorden van de opdracht werkwoordspelling.

Elke dag (wandelen) wandelt Jan naar zijn werk in een verpleeghuis. Hij (vertrekken) vertrekt op tijd van huis, omdat hij niet te laat op zijn werk (willen) wil zijn. Ook vandaag (arriveren) arriveert hij op tijd op de afdeling. -> Alle zinnen staan in de tegenwoordige tijd en dat betekent voor de werkwoordsvormen: ik-vorm+t, behalve bij willen. Dat is een onregelmatig werkwoord.

Bij binnenkomst (begroeten) begroet hij de eerste bewoner die hij (tegenkomen) tegenkomt. In het kantoor (overleggen) overlegt hij met zijn collega’s over de verdeling van het werk. Vandaag (helpen) helpt hij 3 dames bij de dagelijkse wasbeurt. Als eerste (ondersteunen) ondersteunt hij mevrouw Jansen bij het douchen. Mevrouw Blik (douchen) doucht zich altijd zelf. Hij (afdrogen) droogt haar rug af, als ze klaar is met douchen. Bij mevrouw Van de Berg (verzorgen) verzorgt hij ook de wond op haar been. -> ook in deze alinea geldt: tegenwoordige tijd, ik-vorm +t

Aan het einde van de dienst (noteren) noteert hij alle bijzonderheden in de rapportage. Hij (schrijven) schrijft het volgende op:

Mevrouw Janssen (praten) praatte vanmorgen honderduit toen ik haar (verzorgen) verzorgde Mevrouw Blik (douchen) douchte zich ook zelf, voordat ik bij haar kwam. Haar rug heb ik (afdrogen) afgedroogd en daarna (insmeren) ingesmeerd met een nieuwe zalf. Toen ik de wond van Mevrouw van den Berg (verzorgen) verzorgde, (vertellen) vertelde zij dat haar dochter vandaag langs was (komen) gekomen. De drie dames heb ik (ondersteunen) ondersteund toen ze naar beneden (lopen) liepen voor het middageten.

Deze laatste alinea staat helemaal in de verleden tijd. 3x ben je ook de voltooide tijd tegengekomen, namelijk bij afgedroogd, ingesmeerd en ondersteund. Bij alle drie deze woorden komt er een d op het einde, omdat de ik-vorm eindigt met een letter die niet in het taxikofschip staat