Examen Gesprekken

Uitleg over het examen Gesprekken

Het examen Gesprekken wordt op dezelfde dag als het examen Spreken geëxamineerd. Meestal gelijk na het examen Spreken.

Bij het examen Spreken houd je een monoloog over het onderwerp van het examen. Dat betekent dat jij aan het woord bent en dat de examinator(s) luisteren. Aan het einde van je presentatie kunnen ze je wel vragen stellen.

Bij het examen Gesprekken voeren is er sprake van een dialoog. Je gaat in gesprek met de examinator over het onderwerp van het examen. In het examen staan de punten die tijdens het gesprek besproken moeten worden. 80% van die punten moeten tijdens de 6 minuten van het examen aan bod komen. De examinator zal je daarbij zeker helpen, maar jij bent ook verantwoordelijk hiervoor. Het is tenslotte jouw examen!

Het is belangrijk dat je een actieve bijdrage levert aan het gesprek en dat je niet alleen korte antwoorden geeft. Je kan natuurlijk ook zelf het volgende punt van het gesprek inbrengen. Het is de bedoeling dat het gesprek lijkt op een normaal gesprek. Natuurlijk mag je een briefje met steekwoorden gebruiken om te zorgen dat je niets vergeet.

Waar word je op beoordeeld?
Beurten nemen en bijdragen aan samenhang: Je kunt het gesprek op gang houden op een eenvoudige manier, bijvoorbeeld door niet direct te reageren, maar eerst goed naar de vraag te luisteren en te zorgen dat je deze begrijpt. Als jij praat, zorg je dat je een duidelijk verhaal vertelt dat de ander goed kan volgen. Je gebruikt daarbij veelvoorkomende voeg- en verwijswoorden, zoals want, maar, omdat, die, dat en wat.
Afstemming op doel: Je reageert netjes en effectief op je gesprekspartner, zodat je het gespreksdoel bereikt.
Afstemming op gesprekspartner: Je past je woordgebruik en toon aan op je gesprekspartner en houdt daarbij rekening met de formele of informele situatie.
Woordenschat en woordgebruik: Je hebt een redelijk goede woordenschat. Dit laat je zien door te variëren in woordgebruik. Je gebruikt veelvoorkomende voorzetsels (zoals voor, achter, boven, door) vrijwel altijd goed.
Vloeiendheid, verstaanbaarheid en grammaticale beheersing: Je bent duidelijk verstaanbaar. Je spreektempo is normaal. Je laat zien dat je de grammatica redelijk beheerst doordat de meeste zinnen goed gevormd zijn. De werkwoordsvormen zijn over het algemeen correct.

Het klinkt misschien raar, maar ook dit examen kan je voorbereiden. Ten eerste door per punt te bedenken wat je gaat bespreken in het gesprek, maar ook door het gesprek te oefenen met iemand.

Veel succes met de voorbereiding en met het examen zelf!