Examen Lezen en Luisteren

Het centraal examen Lezen en Luisteren is een examen waarin je lees- en luistervaardigheden worden getoetst. Bij dit examen krijg je zakelijke teksten te lezen en te horen. Over deze teksten worden vooral begripsvragen gesteld.

Wanneer je een Mbo-opleiding op niveau 2 of 3 doet, dan wordt Nederlands op niveau 2F geëxamineerd. Dit kan je vergelijken met het eindniveau van het VMBO/Mavo. Doe je een Mbo-opleiding op niveau 4, dan wordt Nederlands op niveau 3F geëxamineerd (vergelijkbaar met Havo).

Het examen op 2F-niveau duurt 90 minuten, op 3F-niveau duurt het examen 120 minuten. Je mag zelf een papieren woordenboek meenemen naar het examen. Het examen wordt op de computer gemaakt.

Het examen Lezen en Luisteren bestaat meestal uit 4 leesteksten en 3 luisterteksten. De tekstsoorten zijn informatief, instructief en betogend. De onderwerpen hebben vaak te maken met het milieu, de gezondheid, werk, burgerschap.

Veel mensen denken dat ze dit examen niet kunnen voorbereiden, omdat de teksten en de vragen toch steeds anders zijn. Het soort vragen dat gesteld wordt is echter wel steeds hetzelfde. Als je weet welke vragen er gesteld kunnen worden, kan je je daar wel op voorbereiden door te zorgen dat je de bijbehorende begrippen wel kent (denk aan voegwoorden/signaalwoorden, tekstsoorten, hoofdgedachte, samenvatten). Door veel te lezen vergroot je je woordenschat en begrijp je de tekst beter. De meeste vragen toetsen of je de tekst hebt begrepen (tekstbegrip).

Begin altijd met oriënterend lezen. Kijk naar de belangrijke plaatsen in de tekst, zoals de titel, inleiding en slot, de eerste en laatste alinea en de tussenkopjes. Op die manier heb je snel door waar de tekst over gaat.

Hieronder staan enkele veelvoorkomende vragen:

  • Wie zegt wat over …? Wat is volgens de tekst waar? Wat staat er in de tekst over…. (tekstbegrip)·       
  • Wat wordt er bedoeld met …). In de tekst staat … wat wordt hiermee bedoeld? (woordbegrip)       
  • Wat is het doel van de schrijver met deze tekst? (– vaak in combinatie met tekstbegrip) (tekstdoelen – informeren, uitleg geven/instrueren, mening geven, overtuigen, overhalen, amuseren)        
  • Wat is het onderwerp van de tekst of alinea? Of: Wat is een goed tussenkopje bij deze alinea?  Wat is een goede samenvatting van de tekst of alinea? (samenvatten/begrijpen)
  • Waarnaar verwijst een woord? (verwijswoorden, signaalwoorden)
  • Wat is de mening van de schrijver? Welke argumenten gebruikt de schrijver? (vooral 3F)

Dit zijn maar enkele voorbeelden. Er worden vooral veel vragen gesteld over de inhoud van de tekst, waarbij gekeken wordt of je de tekst goed hebt begrepen.

Bij de luisterteksten kan het handig zijn om eerst de vragen te lezen en pas daarna het fragment te bekijken. Wanneer je oefent, kan je uitproberen wat voor jou het meest prettig is.

Wil je oefenen? Op de website oefenen.facet.onl staat onder het kopje MBO – Nederlandse taal een aantal oude examens. Kies voor 2f- of 3f-examens. Als je alle vragen hebt beantwoord, kan je de vragen inleveren. Je krijgt dan je resultaat te zien. Voor een voldoende moet je ongeveer 65-70% van de vragen goed beantwoorden.

Familie demonstreert tegen ongelijke versoepeling

Een tekst met vragen waarbij je jouw mening moet geven over de tekst.

Lees onderstaande tekst en beantwoord de vragen.

Bij de laatste vragen word je gevraagd om je mening te geven en deze te onderbouwen met argumenten. Wanneer je je mening over een stelling geeft, dan geef je aan dat je het wel of niet eens bent met de stelling en je geeft 2 redenen (argumenten) waarom je het wel of niet eens bent. Zorg dat de lezer begrijpt waarom jij het wel of niet eens bent met de stelling.

Elkaar aanspreken kan ook op een constructieve manier

Leestekst Elkaar aanspreken kan ook op een constructieve manier. Met meerkeuzevragen.

Hieronder staat eentekst met vragen. De tekst kan je ook vinden op AD Werkt. Deze site is een aanrader, omdat er vaak leuke, werkgerelateerde, artikelen op staan. Ga er eens rondneuzen!

De vragen gaan over de tekstopbouw en tekstverbanden, verder zijn er vragen over woord- en tekstbegrip.

 

Kun je verpleeghuisbewoners besmetten met corona via post?

Leestekst met open vragen

Lees de tekst die je vindt op de site van tvvtotaal en beantwoord daarna onderstaande vragen.

  1. Woordbegrip – In de tekst worden een aantal lastige woorden gebruikt. Weten jullie wat de betekenis is van de blauwe woorden in deze zin? (Sommige woorden hebben meerdere betekenissen. Je noemt dus alleen de betekenis die past bij het woord zoals het in de zin staat.)

    a. De kans dat je iemand met het coronavirus besmet via papier is vrijwel nihil.
    b. Het verbieden van kaarten sturen is een heftige maatregel, als je kijkt naar hoe groot de impact zou zijn op de ouderen.
    c. Wat je ook niet moet vergeten: als het coronavirus op een kaart belandt, betekent dit niet automatisch dat er daadwerkelijke besmetting plaatsvindt als iemand de kaart oppakt.
    d. De kans is ook niet nul, we kunnen het niet uitsluiten.
    e. Een andere optie is het versturen van een digitale kaart of een video.

  2. Wat voor soort tekst is dit en wat is het doel van de schrijver met deze tekst?
  3. Hoe zou je deze tekst in 1 zin samenvatten?
  4. In de laatste alinea geeft Coen Berends, woordvoerder van het RIVM, een aantal adviezen. Hoeveel adviezen geeft hij en welke adviezen zijn dat? Schrijf de adviezen in je eigen woorden op. Dus niet knippen en plakken.
  5. Waarom is het niet nodig om post een dag langer in het postvak te laten liggen, voordat je het pakt en aan de zorgvrager geeft?

Lever de antwoorden in via Blackboard.

Corona gooit wereldwijd roet in het eten

Dit is een luisteroefening.

Bekijk de video die je ziet via deze link: corona-gooit-wereldwijd-roet-het-eten-was-gewoon-je-handen

Beantwoord daarna onderstaande vragen:

1.      In veel landen   worden grote evenementen afgezegd of komen artiesten niet naar grote concerten. In Nederland zijn er echter nog niet zo veel evenementen afgelast. In de uitzending worden een paar redenen genoemd waarom niet alle evenementen zijn afgelast. Noem er minimaal 2.

2.      Wat is de reactie van de meeste Nederlandse gemeenten waar voetbalwedstrijden of andere evenementen worden gehouden?

3.      Aan Rob Goossens wordt gevraagd hoe het in Nederland staat met het afgelasten van concerten en evenementen. Hij vertelt dat hij heeft rondgebeld en dan geeft hij even een bloemlezing hiervan. Wat bedoelt hij met een bloemlezing?

4.      Er wordt een paar keer gesproken over een decreet. Wat is een decreet?

5.      In Italië zien we volgens presentator Eddy Zoey “heftige taferelen van in quarantaine stelling”. Wat is eigenlijk de betekenis van quarantaine of in quarantaine stellen?

6.      Diederik Jekel zegt dat het lastig is bij zo’n virus dat het een exponentiële groei heeft. Wat wordt daarmee bedoeld?

7.      Wat is de mening van Diederik Jekel over het wel of niet afgelasten van evenementen. Welk argument heeft hij daarvoor?

8.      Waarom is het volgens Diederik Jekel belangrijk dat de verspreiding van het virus langzaam gaat?

9.      Diederik Jekel zegt dat we het doel hadden om een soort containmentsituatie te hebben. Wat zou hij daarmee bedoelen?

10.   Als er een decreet is dat je niet naar buiten mag en je doet het toch, is dat dan strafbaar? Wat zegt de deskundige hierover?

11.   Waarom is de vrouw van Bas Muys bang?