Oefening werkwoordspelling (alle tijden)

Oefening werkwoordspelling

Vul in onderstaande tekst de werkwoorden op de juiste wijze in.  Als uit de tekst niet duidelijk wordt of het gaat om de tegenwoordige of verleden tijd, kies dan voor de tegenwoordige tijd. 

Morgen (reizen) … Jan naar Limburg. Hij (hopen) … dat hij daar een nieuwe baan kan krijgen. Sinds 3 maanden (hebben) … hij een nieuwe vriendin. Zo verliefd is hij nog nooit … (zijn). 

Vorige week heeft hij op een nieuwe baan in Limburg (solliciteren) … . Het (verrassen) … hem dat hij al binnen een week een uitnodiging (ontvangen) … voor een sollicitatiegesprek. Morgen heeft hij het gesprek.  

Gisteren (oefenen) … hij met zijn beste vriend voor het sollicitatiegesprek.  Zijn vriend (stellen) … hem allerlei vragen, die hij moest beantwoorden. Dat (vinden- vt) … hij toen best lastig. Hij heeft zijn vriend dus uitgebreid (bedanken) … voor het oefenen, want hij (voelen) …zich nu een stuk zelfverzekerder. 

Jan (werken) … al drie jaar als verzorgende. Drie jaar geleden heeft hij zijn diploma (halen) ….  Sindsdien (verzorgen) … hij dagelijks mensen die dementerend zijn. Hij heeft in die drie jaar veel (leren) ….. Hoe (begeleiden) … je mensen met dementie? Hoe (zorgen) … je dat ze zich niet eenzaam voelen? Een meneer (ontsnappen) … regelmatig van de afdeling en (verdwalen) … dan in de stad. Het is Jan al vier keer (lukken) … om die meneer weer terug te brengen naar de afdeling. Hij (vinden) … het echt een uitdaging om zo’n man te helpen. 

Hieronder zie je de link naar de antwoorden.
Check jouw antwoorden nog een keer goed voordat je ze nakijkt.

https://2fnederlands.wordpress.com/2020/09/21/antwoorden-oefening-werkwoordspelling/

Werkwoordspelling – simpel uitgelegd


Even samengevat: ik krijgt nooit een t. (ook niet in de verleden tijd).
In de tegenwoordige tijd kennen we drie vormen: ik-vorm, ik-vorm+t of het hele werkwoord bij meervoud (wij, jullie, zij)
In de verleden tijd komt er bij zwakke werkwoorden te/ten of de/den achter de ik-vorm. Daarvoor kijk je naar de laatste letter naar de stam van het werkwoord.
In de voltooide tijd krijg je een d of een t achter de ik-vorm. Ook daarvoor kijk je naar de laatste letter van de stam.

Vul nu in onderstaande tekst de lege gaten in met het juiste werkwoord.

Elke dag (wandelen) ….. Jan naar zijn werk in een verpleeghuis. Hij (vertrekken) …… op tijd van huis, omdat hij niet te laat op zijn werk (willen) …… zijn. Ook vandaag (arriveren) …… hij op tijd op de afdeling.

Bij binnenkomst (begroeten) …… hij de eerste bewoner die hij (tegenkomen) ……. . In het kantoor (overleggen) ……. hij met zijn collega’s over de verdeling van het werk. Vandaag (helpen) …….. hij 3 dames bij de dagelijkse wasbeurt. Als eerste (ondersteunen) …….. hij mevrouw Jansen bij het douchen. Mevrouw Blik (douchen) …….. zich altijd zelf. Hij (afdrogen) ……. haar rug, als ze klaar is met douchen. Bij mevrouw Van de Berg (verzorgen) ……. hij ook de wond op haar been.

Aan het einde van de dienst (noteren) …….. hij alle bijzonderheden in de rapportage. Hij (schrijven) ……. het volgende op:

Mevrouw Janssen (praten) ……. vanmorgen honderduit toen ik haar (verzorgen) …….. Mevrouw Blik (douchen) …….. zich ook zelf, voordat ik bij haar kwam. Haar rug heb ik (afdrogen) ……. en daarna (insmeren) ……. met een nieuwe zalf. Toen ik de wond van Mevrouw van den Berg (verzorgen) ……., (vertellen) ……. dat haar dochter vandaag langs was (komen) ……. . De drie dames heb ik (ondersteunen) ……. toen ze naar beneden (lopen) ……. voor het middageten.

De antwoorden kan je vinden op https://2fnederlands.wordpress.com/2020/03/31/antwoorden-werkwoordspelling/