Antwoorden bij de oefening jou/jouw, u/uw, me/mij/mijn

Antwoorden bij de oefening jou/jouw, u/uw en me/mij/mijn.

  1. Kijk daar ligt mijn boek!
  2. Heb ik dat cadeautje van jou gekregen?
  3. Is dat boek van jou of van jouw vader?
  4. Ik ga me/mij zo maar eens douchen!
  5. Dat is niet van jou!
  6. Hij heeft jou daar  jouw brommer zien stallen!
  7. Ik waarschuw jou niet nog een keer!
  8. U moet niet vergeten uw paraplu mee te nemen!
  9. Is die paraplu van jouw of van zijn vader?
  10. Wil je mijn boek aan me/mij geven?

Bij zin 9 kan je ook zeggen: Is die paraplu van jou of van zijn vader?
Er is dan wel een betekenisverschil. In bovenstaande zin is de vraag of het jouw paraplu is of die van zijn vader. In de zin zoals ik hem in de oefening heb geschreven betekent het dat je je afvraagt of de paraplu van jouw vader of van zijn vader is.