Werkwoordspelling – simpel uitgelegd


Even samengevat: ik krijgt nooit een t. (ook niet in de verleden tijd).
In de tegenwoordige tijd kennen we drie vormen: ik-vorm, ik-vorm+t of het hele werkwoord bij meervoud (wij, jullie, zij)
In de verleden tijd komt er bij zwakke werkwoorden te/ten of de/den achter de ik-vorm. Daarvoor kijk je naar de laatste letter naar de stam van het werkwoord.
In de voltooide tijd krijg je een d of een t achter de ik-vorm. Ook daarvoor kijk je naar de laatste letter van de stam.

Vul nu in onderstaande tekst de lege gaten in met het juiste werkwoord.

Elke dag (wandelen) ….. Jan naar zijn werk in een verpleeghuis. Hij (vertrekken) …… op tijd van huis, omdat hij niet te laat op zijn werk (willen) …… zijn. Ook vandaag (arriveren) …… hij op tijd op de afdeling.

Bij binnenkomst (begroeten) …… hij de eerste bewoner die hij (tegenkomen) ……. . In het kantoor (overleggen) ……. hij met zijn collega’s over de verdeling van het werk. Vandaag (helpen) …….. hij 3 dames bij de dagelijkse wasbeurt. Als eerste (ondersteunen) …….. hij mevrouw Jansen bij het douchen. Mevrouw Blik (douchen) …….. zich altijd zelf. Hij (afdrogen) ……. haar rug, als ze klaar is met douchen. Bij mevrouw Van de Berg (verzorgen) ……. hij ook de wond op haar been.

Aan het einde van de dienst (noteren) …….. hij alle bijzonderheden in de rapportage. Hij (schrijven) ……. het volgende op:

Mevrouw Janssen (praten) ……. vanmorgen honderduit toen ik haar (verzorgen) …….. Mevrouw Blik (douchen) …….. zich ook zelf, voordat ik bij haar kwam. Haar rug heb ik (afdrogen) ……. en daarna (insmeren) ……. met een nieuwe zalf. Toen ik de wond van Mevrouw van den Berg (verzorgen) ……., (vertellen) ……. dat haar dochter vandaag langs was (komen) ……. . De drie dames heb ik (ondersteunen) ……. toen ze naar beneden (lopen) ……. voor het middageten.

De antwoorden kan je vinden op https://2fnederlands.wordpress.com/2020/03/31/antwoorden-werkwoordspelling/